Ga naar submenu Ga naar zoekveld

Adoptiekinderen worden groot...

'Het gevoel ongewenst te zijn, is voor hem heel sterk'

‘Denkt mijn biologische moeder aan me op mijn verjaardag?’ ‘Zou ze me mooi vinden?’ Als je geadopteerde kinderen opvoedt, krijg je dit soort vragen. Omgaan met kinderen die zo’n ongebruikelijke start hebben, vergt vaak een flinke dosis tact en incasseringsvermogen. In de puberteit komt het besef van geadopteerd zijn in alle hevigheid naar voren.

Deel:

Het lijkt soms zo nobel: vanuit een soort idealisme een kindje dat in een arm land niet gewenst is, hier een kans geven. Het lijkt zo enorm schattig: een blanke pappa met een klein Chineesje op z’n nek. Of een blonde moeder die haar afro-zoontje op straat achterna rent. Toch kan ook adoptie, een oplossing voor het ene probleem, weer voor andere problemen zorgen.

Onder ogen zien

Carrie is moeder van twee geadopteerde kinderen. Inmiddels zijn Philip-Jan en Marieke hun tienerjaren voorbij. En hoewel elke leeftijdsfase z’n eigen problemen kent, vindt ze de puberteit toch wel het meest problematisch. “Toen ze in de puberteit kwamen, moesten ze in alle hevigheid onder ogen zien dat ze geadopteerd zijn. Ik merkte dat ze een houding hadden van ‘we horen hier echt niet bij.’ Niet dat ze het steeds zeiden, maar hun gedrag zei genoeg.” Hoewel de puberteit voor veel jongeren gepaard gaat met identiteitsproblemen en een aftasten van de plek in de maatschappij, ligt het voor adoptiekinderen nog een stuk moeilijker.
“Onze zoon had problemen op het gebied van eigenwaarde. De gedachte dat zijn moeder hem niet hoefde, maakte hem erg onzeker. Ik vertelde hem dat zij het beste voor hem had gekozen; ze had hem achtergelaten, niet geaborteerd. Dat hielp echter niet. Dat gevoel ongewenst te zijn, is voor hem heel sterk. Hij heeft ook heel lang verteld dat zijn moeder overleden was. Daar kon hij nog mee leven.”

Zelfde schuitje

Carrie en haar man wilden al voordat ze trouwden kinderen gaan adopteren. Toch duurde het wel een jaar of vijf voordat ze zover waren dat ze konden afreizen naar Colombia om Marieke op te halen. “Het duurt lang, maar je stelt je erop in. Ik vind het een goede periode. Naarmate je langer wacht, wordt je keuze ook definitiever.” Philip-Jan is niet uit een ver land geadopteerd, maar heeft een Nederlandse biologische moeder. Hierdoor wordt hij er minder mee geconfronteerd geadopteerd te zijn dan Marieke, die er niet zo Nederlands uitziet als hij. “We hebben het hen allebei van jongs af aan met de paplepel ingegoten dat ze eigenlijk een andere mama hadden. Die gelijke situatie was voor hen allebei wel goed, ze zaten in hetzelfde schuitje. We vonden het belangrijk om open te zijn. Regelmatig lieten we Marieke foto’s zien van Colombia. Als ze jarig zijn, denken we aan hun moeders. Marieke heeft heel mooi haar, en dan bedenken we soms hoe leuk het zou zijn voor haar moeder om dat te zien.”

Onbereikbaar

Toen Marieke in de pubertijd kwam, wilde ze kijken hoeveel rek er zat in de liefde van haar adoptieouders. “Ze ging de confrontatie niet aan, maar vertoonde meer checkgedrag, om te kijken of we werkelijk van haar hielden. Ze wilde zien hoe ver ze kon gaan. Eerst had ik het niet door dat ze een tientje uit m’n portemonnee pakte, de tweede keer vermoedde ik wel wat, en de derde keer stond ik er bijna bij. Dit begon rond haar vijftiende. Ook vond ze het nodig om te gaan roken en om veel lippenstift te gebruiken om bij de groep te horen. Natuurlijk hebben veel pubers die drang om ergens bij te willen horen, maar bij haar was het, omdat ze geadopteerd was, wel extremer.”
Ze vertelt verder dat Marieke zich verschool achter het excuus dat ze het allemaal kon maken, “omdat we toch haar eigen ouders niet waren. Ze maakte zich onbereikbaar en liet ons niet tot haar doordringen. ‘s Nachts liep ze weg naar een jongen die vreselijk gek was op haar. Toen alles de spuigaten uitliep, hebben we hulp gezocht.” In het begin sputterde haar dochter nog tegen, ze vond de bezwaren oubollig en ze vond zelf niet dat ze ongelukkig was. Toch ging het beter doordat ze op de hulpgroep niet de enige was met een probleem: “Ze zag dat er nog gekkere dingen waren en voelde zich minder abnormaal.”
Toen Marieke een half jaar naar Israël ging om in een kibboets te werken, stonden haar ouders achter haar. “Hoewel het echt niet allemaal geweldig ging, merkte ze dat we haar vertrouwden en los konden laten. Toen bleek eigenlijk dat ze haar familie erg miste. Ook wanneer ze nu nog op vakantie gaat, belt ze iedere dag en wil weten hoe het thuis gaat. Bij haar zie ik heel sterk die twee uitersten van het wegduwen en het vast willen houden.”

Tussen droom en werkelijkheid

‘Mam, heb ik nog broertjes?’ Deze vraag stelt Philip-Jan wanneer hij wil praten over zijn adoptie. Zijn moeder vertelt: “Dat hij geen broertjes heeft, weet hij best. Maar zo wil hij even aan zijn afkomst herinnerd worden. Hoewel hij heel vergeetachtig is, vergeet hij één ding nooit: zijn eigen achternaam. Die heb ik een keer genoemd en heeft hij altijd onthouden.”
Carrie verwacht dat Philip-Jan wel een keer gaat proberen zijn moeder te vinden. “Als Philip-Jan zijn moeder wil ontmoeten, dan zeg ik zeker: ‘Dat moet je doen, nu kan het nog.’ Maar het kan ook vreselijk tegenvallen, en ik zal van tevoren goed met hem doornemen wat hij zou kunnen verwachten. Misschien is het soms beter om te leven tussen droom en werkelijkheid.”
Carrie vond Philip-Jan vaak een wat nonchalante houding hebben ten opzichte van zijn adoptie: “Met een schouderophalend ‘Ik heb hier niet om gevraagd’ vermeed hij verantwoordelijkheden. Toen hij 18 werd, vertelden we hem dat hij nu zelf die verantwoordelijkheid had. Als hij wilde, kon hij de zaak terugdraaien. Daar schrok hij wel van, en werd wel wat voorzichtiger. Het was wel een beetje flauw, want het was geen evenredige keuze. Maar we wilden hem wel even duidelijk maken dat hij geen gevangene is. Als hij zich ongelukkig voelt, moeten we zoeken naar een andere oplossing.”

Gehinderd

Soms betekent dit dat een kind uit huis geplaatst wordt. Daar weet Simone alles van. “Toen Frank tien was, werden de problemen echt pittig,” vertelt ze. “Hij was heel erg dwars en maakte het steeds weer te bont. Nadat hij twee keer van een school was gestuurd, ging hij naar het speciaal onderwijs. Hij was echt onhandelbaar. Toch heeft hij de basisschool heel snel gedaan, want hij is wel slim. Maar toen hij vervroegd naar het middelbaar onderwijs ging, is het totaal misgegaan. Hij zette de boel op stelten en luisterde absoluut niet. Nu woont hij in een internaat en doet er speciaal onderwijs. Hoewel hij eigenlijk niet op het vmbo maar op het vwo hoort, werkt zijn gedrag hem tegen. Hij wordt door zichzelf gehinderd.”

Frank heeft volgens zijn moeder geen inzicht in zichzelf. Zijn hechtingsproblemen komen vaak voor bij adoptiekinderen, maar bijvoorbeeld ook bij kinderen die lang in een ziekenhuis hebben gelegen. Simone: “Veel vrienden begrijpen het niet. Ook orthopedagogen, begeleidingsdiensten van school en andere hulpinstanties kunnen eigenlijk geen oplossingen bieden. Je vertelt steeds hetzelfde verhaal, maar schiet er niets mee op. Op het internaat gaat het redelijk. Maar hij pikt moeilijk gezag van volwassenen, omdat die in zijn ogen niet te vertrouwen zijn. Op scouting gaat het echter wel goed, ze hebben hem er graag. Hij krijgt er verantwoordelijkheden en wil niets liever dan bezig zijn, want het ergste is verveling.”
Af en toe komt hij thuis, en dan vraagt Simone hoe hij denkt over thuiskomen. Ze laat het initiatief bij hem, maar hij reageert vaak laconiek dat hij het niet weet.
Simone merkt dat ze meer moet loslaten: “Ik ben zo’n type die alles regelt. Maar er valt weinig te regelen als hij niet meewerkt. Ook moet ik meer dingen vanuit zijn standpunt benoemen, niet emotioneel, want hij kan niet overweg met mijn emoties. Dus ik probeer veel te relativeren en humor te gebruiken. Ik heb ook mijn verwachtingen moeten bijstellen, want hij deed alles waar ik een hekel aan had: stelen, liegen, manipuleren. Hij was niet hanteerbaar. Als ik geen steun bij God had gevonden, had ik de moed al lang opgegeven.”

Adoptiekind vertoont soms overlevingsgedrag

Wat veel adoptiekinderen met elkaar gemeen hebben, is hun onvermogen om zich aan anderen te hechten. Het kind heeft in de vroege periode nooit het fundament in zijn bestaan kunnen leggen van de veilige en duurzaam liefhebbende volwassenen aan wie het was toevertrouwd. Het heeft zich juist overgeleverd gevoeld aan volwassenen die een gevoel van onveiligheid en angst bij hem opriepen. Dit maakt dat een kind als het ware geen bodem heeft in zijn leven.
Is het kind in grote mate bodemloos, dan kan er van alles misgaan en mis blijven gaan. De wereld blijft ongestructureerd en er is weinig gevoel voor tijd en ruimte. Er ontstaan hierdoor vaak leerproblemen. Het kind vertoont overlevingsgedrag. Hij past zich vaak schijnbaar aan, maar dat is vaak niet echt. Dit gedrag kost extra energie, wat invloed kan hebben op leerprestaties. Ook komt de gewetensontwikkeling niet goed op gang. Er is geen ‘ik’, geen basaal vertrouwen in volwassenen, met als gevolg onvermogen om relaties aan te gaan. Intieme emotionele banden binnen het gezin worden vaak als bedreigend ervaren. Het kind weet niet wat hij ermee aan moet. De ervaring van niet gewenst, afgewezen of weggedaan te zijn, is onvoorstelbaar vernietigend. De basale pijn zoekt soms een uitweg in vernietigingsdrang die zich richt tegen zichzelf maar ook tegen anderen (vaak de moeder), het uit zich in agressiviteit, vernielen, liegen, soms provocerend seksueel gedrag en weglopen.
Dit alles maakt dat adoptieouders de ‘gave van het liefhebben’ moeten veranderen in de ‘opgave van het liefhebben.’

Namen zijn om privacyredenen gefingeerd.

--:--