Icon--npo Icon--twitter Icon--facebook Icon--instagram Icon--mail Icon--search Icon--video Icon--image Icon--audio Icon--EO Icon--whatsapp Icon--linkedin Icon--snapchat Icon--youtube Icon--quote arrow-right Icon--menu Icon--background Icon--backgroundContent Icon--overlayBottom Icon--overlayTop

‘Ik kan mij niet helemaal geven aan mijn man’

in Geloven

Martha was de oudste van drie meisjes. Haar vader was een heel moeilijke man, die niet met het leven om kon gaan. „Hij was moeilijk voor zichzelf en een erge driftkikker.“ Van haar moeder dacht ze vroeger altijd dat zij echt moeder was. Later kwam ze erachter dat dat juist níet zo was. „Ik heb nooit een knuffel van haar gehad.“

„Vind je het gek dat ik mijn eigen kinderen nooit heb kunnen knuffelen? Dat ik mij niet zomaar durf te geven aan mijn man? Ik heb het nooit geleerd. Ook iemand zomaar een zoen geven, doe ik niet. Het is zo belangrijk dat je geknuffeld wordt, dat je gewaardeerd wordt, dat je gezien wordt als wie je bent en dat je ook durft te zijn wie je bent. Want dat durfde ik niet. Ik was bang. Bang voor mijn vader, voor zijn drift. Als ik straf kreeg, werd ik nooit door mijn moeder opgevangen. Ze kwam nooit voor me op. Wat vader zei, was waar, ook al was het fout. Ik heb altijd het idee gehad dat het huwelijk van mijn ouders niet goed was. Mijn moeder was bang voor mijn vader. Zij stond bij voorbaat al te zenuwen voor mijn vader als er iets aan de hand was.“

Martha kan zich nog herinneren dat ze af en toe voor langere tijd bij een oom en tante werd gebracht. „Soms was ik daar weken achter elkaar. Ik zal toen een jaar of vier, vijf geweest zijn, want mijn tante zei later, dat ze er wel eens over gedacht hadden om mij daar naar de kleuterschool te sturen. Zo lang moet ik daar dus in huis geweest zijn. Zonder dat ik en die oom en tante wisten waarom. Ik ben daar nooit achter gekomen. Wel weet ik dat voor mij nog een meisje is geboren dat maar drie maanden heeft geleefd. En ik heb altijd het gevoel gehad dat ik Martje, zo heette ze, moest zijn. Ik was teveel en stond tussen mijn ouders in.“

Scheve ogen
Toen Martha met haar eerste man in het huwelijk trad, was ze eigenlijk nog een kind. Ze voelde zich nooit echt een volwassen vrouw. „Ik zocht op een kinderlijke manier nog naar geborgenheid, en kon dingen niet aan. Bovendien verafschuwde ik mijzelf omdat ik op mijn moeder leek. En daar had ik vreselijke moeite mee.“ Toen haar man na vijf jaar huwelijk overleed, was er niemand om haar verdriet mee te delen. Ze stond er alleen voor en had moeite om het verlies te verwerken.

Na drie jaar trouwde ze opnieuw, maar ook dit huwelijk werd niet wat ze ervan verwacht had. Na vijf jaar vroeg ze zelf een scheiding aan, wat haar tevens scheve ogen vanuit de kerk opleverde. Weer stond ze er alleen voor en raakte mentaal uitgeput. „Ik heb een paar keer een inzinking gehad, zover zelfs dat ik zelfmoordplannen had. Totdat ik werd opgenomen in een psychiatrische kliniek. Ik moest mijn levensverhaal gaan vertellen. Nou, toen kwam er een hoop los. Meer dan ik besefte. Want het bleek dat mijn leven van vroeger weerslag had op mijn leven nu. Ik kende geen geborgenheid, geen liefde. Mijn gevoelens en emoties waren helemaal weg. Ik had geen moeder-kindgevoelens meer, ik kon niet meer huilen. Nadat mijn eerste man is overleden, is er van binnen iets dood gegaan. Het is koud en tot op dit moment niet meer warm geworden zoals bij anderen. Ik moest weer op zoek naar mijn eigen identiteit. En dat betekende twee jaar knokken. Ze waarschuwden mij al dat ik nooit meer helemaal de oude zou worden. Daar verzette ik me toen tegen, want ik wilde een gezonde vrouw zijn. Ik wilde eindelijk ook eens normaal zijn.“

Blokkade
Martha heeft geleerd weer te lachen en te huilen. Hoewel ze met dat laatste nog wel moeite heeft. „Huilen kan ik heel bewust tegenhouden. Maar ik kan wel weer bewuster leven. Ik kan genieten van dingen die ik heb, omdat ik ook weet wat ik niet had.“

Ze vindt het nog steeds moeilijk om zich aan anderen te geven. „Ik kan soms wel een schouderklopje geven aan iemand die niet zo dicht bij me staat. Dat is heel gek. Anderen zeggen ook dat ik warm ben en dat ik warmte uitstraal. Terwijl ik soms nog bang ben om door mensen afgewezen te worden. Maar de spontaniteit om mijzelf zomaar te durven geven aan mijn man is er niet. Spontaan een arm om hem heen slaan, vind ik al moeilijk. Daar moet ik aan dénken. En dan moet ik het ook nog kunnen, want vaak voel ik een blokkade. En daar kom ik niet doorheen. Dat is heel raar, maar ik kan het niet. En er zijn ook momenten dat ik me er heel schuldig over voel. Dan ga ik ervoor bidden, om later weer te constateren dat het niet wil.

Soms zit ik bijvoorbeeld op de ene bank en mijn man op de andere en dan denk ik: zal ik eens bij hem gaan zitten? Maar dat lukt dan gewoon niet. Ik kan mezelf daar dan niet toe brengen om zomaar spontaan naast hem te gaan zitten. En als hij een arm om mij heen doet, vind ik het heel moeilijk om mij helemaal te geven. Terwijl ik stapelgek ben op hem. Maar ik heb dat nooit geleerd. Mijn vader deed dat nooit bij mij.

En als je dat niet meekrijgt als je klein bent, dan leer je dat nooit. Hoewel mijn kinderen het makkelijker kunnen dan ik, dus blijkbaar heb ik toch wel iets aan mijn eigen kinderen meegegeven.“

Parel
„Gelukkig maakt mijn man er geen probleem van. Hij accepteert het en heeft er mee leren leven. En daar ben ik heel blij om. Hij is voor mij een geschenk van God. Als ik hem niet had gehad, was ik kapot gegaan en waren mijn kinderen her en der terecht gekomen. God heeft ingegrepen in mijn leven. Daarom ben ik dankbaar dat ik ben wie ik ben. Ik had niet verwacht dat ik nog zou ver zo komen. Ik ben een vrouw die nog genieten kan, die gaven heeft. Ik word nu gewaardeerd. Ik mag er zijn.“ Ze staat op en loopt naar een kastje waar ze drie beeldjes vanaf haalt. Het een is het beeld van een baby in een hand. Ze licht toe: „Bij God mag ik kind zijn.“ Het ander is een hand met daarin een parel. „Ik ben een parel in Zijn hand, ik ben van waarde.“ Het derde is een beeld van twee mensen die elkaar omarmen. „Ik ben geborgen in Gods armen.“

Martha’s vader heeft op zijn sterfbed beleden dat zijn leven een strijd was, maar dat het nu goed was, omdat hij naar Jezus ging. „En toen was het voor mij ook goed. Daarmee had hij toegegeven dat hij fout zat. Met mijn moeder heb ik geen contact meer. Ik heb een tijd lang geprobeerd contact te hebben, maar ik krijg geen respons. Dat blijft toch een gemis. Ik heb vroeger nooit een echte moeder gehad. Nu nog steeds niet. En dat doet soms vreselijk pijn. Dan kan ik alleen nog maar op God terugvallen.“

Tekst: Mirjam Hollebrandse

Tip voor de redactie?

Of heb je een foutje gezien? Mail ons